Wolvin - volgens papa

De zomer was al een hele tijd aan het kwakkelen, maar er was verandering op komst. Een serieuze verandering! Rond 23u waren de weeën begonnen, maar ‘t was pas toen vroedvrouw Elke ‘s morgens langskwam, dat het duidelijk werd dat het nog wel even zou duren. Voorweeën. Die had Veerle dan de hele nacht liggen chronometreren. Die dekselse natuur toch. Toch bleven de weeën aanhouden en begonnen ze in hevigheid toe te nemen. Ik had ergens gelezen dat vrouwen vaak vroeg in de ochtend bevielen dus het leek erop dat we misschien nog wel een lange weg voor de boeg hadden.

Bad in, bad uit, wiegelend als Charlie Chaplin door de woonkamer in een knalroze badjas, verstreken de uren, de weeën en de centimeters. “Is het nog draaglijk?”, vroeg ik in het begin, maar na een tijd beantwoorden zo’n retorische vragen eigenlijk zichzelf. Ik vond dat er een heel aparte sfeer begon te hangen in het huis. Een soort van geruststellende spanning. Op de trap vroegen de bovenburen nog eens nieuwsgierig “Of het voor binnenkort was?” en “Of we nog steeds van plan waren om thuis te bevallen?”. “Kom morgen maar eens beneden langs op babybezoek.”, antwoordde ik nog grappend en dat bleek achteraf niet eens gelogen. 

Naarmate de avond vorderde geraakte Veerle meer en meer in de cadans van de weeën. Soms had ik het gevoel dat ze eigenlijk met haar bewustzijn ergens anders vertoefde. Maar soms ook helemaal niet. Zoals het moment dat ik plots achter Dafalgan werd gestuurd, want “dat mocht van Elke” en zou de pijn verlichten. Dus ik in zeven haasten achter Dafalgan pilletjes. Bleken pilletjes nu net datgene te zijn wat ze echt niet door de keel kreeg. “En dè pil dan, die slikte je toch ooit ook?”, probeerde ik nog. Tja, helse pijn kunnen verbijten, maar een pilletje van nog geen pink dik doorslikken ... ho maar! Bon, de ongerijmdheid van de situatie kon ik haar duidelijk niet bijbrengen en toen ik haar het pilletje in nog kleiner stukjes kwam presenteren kreeg ik nog meer gedonder voor mijn kop. Ik dus terug naar de apotheek van wacht achter de vereiste bruistablet versie. De blik toen ik terug kwam was er eentje om in te kaderen: de hemel was helemaal open geklaard. En of het nu hielp? Natuurlijk niet, maar dat argument was al vroeger gesneuveld en deed er ook niet meer toe. 

Ik denk dat het uiteindelijk tegen elven liep toen Elke aanbelde. Zij bevestigde het vermoeden dat het nu toch wel serieus begon te worden. Veerle, nog steeds in knalroze badjas, had zich ondertussen naar de slaapkamer begeven. En daar zijn we met ons drieën de nacht in gegaan. Ik, tijdens de weeën duwend op Veerles onderrug, Elke af en toe de hartslag beluisterend en ondersteuning biedend waar nodig en Veerle haar krachten bijeen sprokkelend om de weeën op te vangen. En toen brak het water. Licht gekleurd. “We wachten nog 10 minuten, maar als je binnen die tijd niet begint te persen vertrekken we richting ziekenhuis.”, concludeerde Elke. En zie, Veerle ging direct over tot de orde van de dag: persen deed ze. Zittend op de barkruk, ik op de springbal erachter en Elke in kleermakerszit ervoor. Rustig aan, dat wel. Ze laat zich niet graag opjagen, wachtende vroedvrouwen en duwende vriendjes ten spijt. Ondertussen was vroedvrouw Margriet er komen bij zitten en werd het haast nog een gezellige bedoening. Nog eens 2 uur persen later kwam Wolvin ter wereld. Op 21 juli rond kwart voor vijf in de ochtend in de Grondwetlaan: een nationaal feestbeest.

Hoe vroedvrouwen er dan in een mum van tijd in slagen apgar scores te meten, scheurtjes te hechten, nageboorte te begeleiden, kind mee te helpen aanleggen en ondertussen alles nog eens op te kuisen blijft mij een raadsel. Maar anderhalf uur later lagen we daar dus alleen met ons drie. Wolvin, Veerle en ik en het huis weer voor ons alleen. Ongelofelijk. Fantastisch.

De volgende dagen brak de zon eindelijk door de wolken, en ontvingen we de eerste visites in de tuin. Maar de bezoekjes waar we misschien in het begin nog het meest naar uitkeken waren die van Elke en Margriet. Zij stonden ons met raad en daad bij, luisterden naar onze twijfels en slaagden erin om steeds de juiste dingen te zeggen. Niet voor niets heet een vroedvrouw in het Frans dan ook “sage-femme”.

We zijn nu drie weken later en onze meid lost alle verwachtingen in: af en toe scheel in de lens kijken, het verzorgingskussen op tijd en stond onderplassen, de oma’s hun hart veroveren, liever tussen dan naast ons slapen en de papa plezieren door van de borst op te kijken als die wiegenliedjes begint te spelen. Wat dat laatste betreft doet Brahms het nog steeds uitstekend. Het deuntje komt zowat uit elke muziekdoos en moeders zingen het al generatie op generatie om hun kinderen in slaap te wiegen. De tekst varieert wel eens, maar gaat ongeveer zo: 

“Goeden avond, goede nacht, 

Slaap rustig en zacht.

Van ‘t spelen zo moe,

sluit uw oogjes nu maar toe.

Morgen vroeg, wil de Heer, 

Wekt uw Moeke u weer, 

Morgen vroeg, wil de Heer,

Wekt uw Moeke u weer.”