Niko Roos - door mama

5 maart 2015. Onze dochter zou dan geboren worden. Daar was ik zeker van. Het was immers de uitgerekende datum èn die nacht stond de maan rond en vol aan een heldere hemel. Maar net zoals de twintig-weken-echografie mijn zekerheid over het mannelijke geslacht van ons kindje met stelligheid weerlegde, net zo werd ik die nacht van 5 op 6 maart met de neus op de feiten gedrukt : over de gang van zaken van de natuur heb ik niks, maar dan ook niks te zeggen. De volle maannacht die in mijn verbeelding zo veelbelovend zou zijn, ging voorbij. Het werd 6 maart. De wereld draait door. Mijn buik even dik als de dag voordien. Het moment leek gerateerd, plots was ik weer zwanger. 6 werd 7 werd 8 werd 9 maart. Niets gebeurde. Enkel de gsm’s van Bas en mij begonnen meer sms-lawaai dan ooit tevoren te maken. ‘En en en?’ ‘’t zal wel voor vandaag zijn’ ‘Ik heb gedroomd dat je bevallen bent. Is het zo?’ Lief bedoeld van onze omgeving, maar het maakte de druk alleen maar groter. De raad die Elke ons in het begin van de zwangerschap had gegeven –‘Zeg maar tegen de mensen dat het voor midden maart is’- had ik in de wind geslagen. Volle maan, 5 maart, men zegge het voort. Ondertussen was het al 10 maart en de sms-jes verminderden. De druk leek van de ketel. Ook ik had me er onderhand al bij neergelegd. Ons meisje zou komen wanneer zowel zij als ik er klaar voor waren. Niet eerder, niet later. Op het enige mogelijke moment : het juiste. Een fragment uit mijn dagboek van 10 maart : ‘Je wordt nederig. Wanneer je je niet goed voelt. Wanneer je twijfelt. Wanneer je je kwetsbaar voelt. Je hierin, in je mens-zijn, je kwetsbaar-zijn, verbonden voelen met de andere mensen. Omdat zij ook kwetsbaar en mens zijn. Verbondenheid met die miljarden vrouwen die leven geven, hebben gegeven en zullen geven. Je bent niet afgescheiden van hen, je doet het niet beter of slechter. Je bent één van hen.’ Die avond voel ik spanning in mijn onderbuik. Mijn darmen zijn op zijn zachtst gezegd actief. Ik probeer te slapen, moet even later weer opstaan van de pijn. Zou het dan echt begonnen zijn? Ik probeer rustig te blijven maar ik hoop dat het nu eindelijk zover is. Tegen de vroege ochtend ga ik in bad. De pijn neemt af. Arlind had ons die tip gegeven : als je contracties voelt en ze verdwijnen als je in bad gaat, dan is het nog niet begonnen. Oefenweeën dus. De volgende ochtend ben ik een beetje teleurgesteld : nog steeds zwanger. Maar tegelijkertijd heb ik ook vertrouwen gekregen. Zo voelt een contractie dus. Mijn lichaam is aan het werk. Het neemt de tijd die het nodig heeft. Het vertrouwen in de kracht en de wijsheid van mijn lichaam groeit. Ik geef me over aan haar ritme. Die dag, 11 maart, blijven de contracties aanhouden. Ik kan nog normaal functioneren, ga met een vriendin op pad in Brussel. Maar vanbinnen is er vanalles gaande. Geduld, Maaike, ze is onderweg. De volgende nacht is gelijkaardig. De pijnen zijn heftiger dan de vorige nacht, maar naar de ochtend toe nemen ze weer af. Een tweede bijna slapeloze nacht op rij dus. Ik ben het een beetje beu en maak in de namiddag een afspraak bij Elke. Zij onderzoekt mij en stelt vast dat ik al drie centimeter ontsluiting heb. Elke spreekt me moed in. Die slapeloze nachten zijn niet voor niets geweest. Ze stimuleert mijn baarmoeder en ‘stript’ me een beetje. En ze raadt me aan toch een beetje te rusten als ik thuiskom. Stel dat het voor vannacht zou zijn. Stel. Ik stel niets meer. Op de fiets naar huis heb ik het moeilijk. Over kasseien fietsen, was mij aangeraden geweest, dat stimuleert de baarmoeder. Maar kasseien en vluchtheuvels, dat doet nu echt pijn. Ik moet een paar keer stoppen om een pijnscheut op te vangen. Ik denk er niet echt bij na. Wanneer ik thuiskom is het drie uur in de namiddag. En de pijnen verdwijnen niet meer. Om vier uur besluit ik om het tijdstip van de contracties die ik voel een uur lang op te schrijven. Om de drie à vijf minuten zo blijkt. Mmm. Nu beginnen Bas en ik toch een vermoeden te hebben dat het deze keer eens niet zou stoppen. We bellen Elke. Ze zou tegen de avond wel eens passeren. Ik blijf de pijnen opvangen. Even verdwijnen ze en de moed zakt me meteen in de schoenen. Niet nòg zo een nacht. Ik vraag Elke via sms om raad. ‘Slaap maar wat. Het komt vanzelf wel weer terug’, stuurt ze. Opnieuw geeft haar raad me moed. De boodschap is duidelijk : je lichaam weet wel wat het doet. En ja hoor, ik lig nog niet half in bed of daar komen plots pijnen opzetten die je met recht en reden weeën kan noemen. Ik moet er geluid bij maken, het is sterker dan mezelf. Ik ga op handen en knieën in bed zitten. Bas hoort me vanuit de woonkamer, komt soms even bij me zitten, vraagt me of ik iets nodig heb, hij maakt kamillethee. Hij zegt me dat de weeën nu wel erg snel na elkaar komen. Er zit niet veel meer dan een minuut tussen ongeveer. Ja, het is heftig, de pijn en het tempo waarin ze elkaar opvolgen. Na een wee die me overspoelt besluiten we om Elke te bellen. Ze zegt aan Bas dat ze even zal passeren en dat we daarna wel weer verder zullen zien. Tegen 21 uur is Elke bij ons. Ik ben ondertussen onder de douche gaan staan. Daar is de pijn even wat draaglijker. Elke onderzoekt me en feliciteert me met mijn 5 centimeter ontsluiting. Goed gewerkt, zegt ze. Danku! Ze belt het ziekenhuis en checkt of er een verloskamer met bad vrijkomt want ik wil graag in bad bevallen. Binnen een uur kunnen we er terecht. Ik trek me nog even terug in de slaapkamer. Zodra ik alleen ben, in de verduisterde kamer, komen de weeën in alle heftigheid aan. Op handen en knieën, en met langgerekte aaaaaaaaaa’s vang ik ze op. Later zegt Bas me dat Elke hem toen zei dat het niet lang meer zou duren. Tegen 22 uur vertrekken we naar het ziekenhuis. De tocht ernaartoe zou de weeën doen verminderen. Maar daar heeft mijn lichaam blijkbaar een andere mening over. Om de minuut moeten we stoppen om een wee op te vangen. Waarom wilden we per sé op die hoogste verdieping gaan wonen in een gebouw zonder lift, aan dat plein waar ’s avonds horden toeristen voorbijkomen? Ik sta er niet te lang bij stil, hou me niet meer bezig met de wereld om me heen. Om de paar minuten staan we even stil, onderweg naar Elke’s auto. Blijf hier maar even staan, zegt ze me, als ze merkt dat er weer een wee aankomt. Ik klamp me vast aan een lantaarnpaal. Brussel beweegt. Ik merk het, maar ik merk het niet. Al mijn concentratie is gebundeld, en staat in functie van het opvangen van die pijnen. De rest kan me niet schelen. Het voelt als een oeroud overlevingsinstinct. Enkele vluchtheuvels en weeën later arriveren we in Sint-Jan. Bas is er naartoe gefietst (hij kon er niet meer bij in Elke’s Smart...) en wacht ons op aan de spoedingang. Hoewel ik me meer en meer naar binnen voel keren ben ik zo ontzettend dankbaar dat hij er is en dat Elke er is. Zonder hen zou ik me niet veilig hebben gevoeld. In afwachting van het vrijkomen van de kamer met bad vang ik in een andere verloskamer nog weeën op. Elke onderzoekt me. Ze is verwonderd over de negen centimeter ontsluiting die ik ondertussen heb. Ik hoor het graag, want dit kan ik niet veel langer volhouden. Het is ondertussen een uur of 11 ’s avonds. De kamer met bad is vrij. Laten we maar snel gaan, of je haalt het niet meer in het bad, moedigt Elke me aan. Maar dan, eenmaal in bad, gebeurt er niet veel. De weeën worden draaglijker. Volg maar je gevoel, zegt Elke me. Ik voel een lichte persdrang, maar niet groot genoeg om mee te doen. Het is een verwarrend moment. Na een tijdje proberen persen/weeën opvangen wil ik het bad uit. Ik voel niet meer goed wat ik moet doen. We proberen de baarkruk. Maar het persen wil niet echt vlotten. Blijkbaar is er nog een ‘randje’ dat moet worden weggewerkt alvorens ik volledige ontsluiting heb. Terug op handen en knieën op de grond dan maar. Nog drie weeën, zegt Elke, dan zal het randje weg zijn. Dit moment lijkt eindeloos. Ik wil niet meer, al zeg ik het niet luidop. Ik wil eigenlijk gewoon slapen. Niks meer. Gaan liggen, dat wil ik. Maar de weeën denken daar anders over. Eén wee, twee, drie, vier, vijf, zes. Dit wordt ondraaglijk. Terug naar de baarkruk nu. Het randje is weg. Ik mag de drang van mijn lichaam volgen. Ik probeer, maar voel het niet. Ik voel niet wat ik moet doen. Dan maar even echt gaan voelen, met mijn eigen vingers. Nu voel ik het hoofdje zitten. Het is nog redelijk ver weg, en de weg naar buiten toe lijkt onmogelijk, maar ik voel het. Het geeft moed. Ik pers, pers, pers. Moet plassen. Mijn water breekt. En dan gaat het snel. Hoewel ik nog steeds niet geloof dat dat grote hoofdje die kleine uitgang kan passeren, pers ik. En dan is er een kantelmoment. In plaats van zomaar in het wilde weg te persen, ben ik even stil. Ik luister naar de pijn, luister naar wat mijn lichaam mij dicteert. Ik wacht. En plots is daar een kracht die het volledig van mijn bewuste denken overneemt. Een kracht die niet van mij is, maar van alle vrouwen die ooit bevallen zijn. Hoewel ik op de baarkruk zit, leun ik achterover in Bas zijn armen. Bas, mijn eeuwige Bas. In een helder moment voel ik hoe hij zich subtiel probeert te verzetten om een betere houding te vinden, want ik leun nu met mijn volle gewicht tegen hem aan. Mijn lichaam trekt er zich niets van aan. Het hoofdje! Ik voel het hoofdje! Het glijdt niet meer terug. In volle vertrouwen geef ik me over aan de machtigste perswee die ik ooit gevoeld heb. Ik hoor Elke nog zeggen dat ik het nu even wat rustig aan moet doen, maar daar heeft mijn lichaam geen oren naar. Ons meisje, Niko, wordt geboren. Ze floept eruit. Ik snap er niks van. Dat heb ik wel twintig keer gezegd. Ik snap er niks van. Ook Elke en Bas lijken verbaasd dat het plots zo snel ging. Maar ze is er. Het is 2u08. Vrijdag 13 maart. Ons gelukskindje is geboren. Dit is het meest intieme, het meest overweldigende, wonderbaarlijke, het machtigste wat ik ooit in mijn leven heb gedaan. Mijn respect en dankbaarheid voor Elke is immens. Wat een leven, dat van een vroedvrouw, wat een leven.