Aprilvisje

Lucas is een aprilvisje, geboren op 1 april 2011, thuis in Sint-Gillis, na exact 40 weken. Hij is ter wereld gekomen na een bevalling van tien uur en half, de nacht vol voorweeën niet bijgerekend. Officieel begon het allemaal om 7u ‘s ochtends, maar eigenlijk was het al langer bezig. Om 9u belde ik Elke, de vroedvrouw. “Ik denk dat het een aprilvisje zal worden!”

Ik het bad in, en mijn man zo zen als maar kan het huis opruimen.

Anderhalf uur later kwam Elke toe. Ik zat nog steeds in bad, met een wee iedere vijf minuten. Met Elke op de rand van het bad, viel de contractiefabriek eventjes stil. Was het vals alarm? Mijn “bevalling” moest wennen aan ons bezoek. Maar dan toch, het werk hervatte zich en werd sterker en sterker. Van bad naar living, van op handen en knieën naar hangend op de bal, van hangend over de lavabo, naar een matje in de living alweer. Zo heeft elk hoekje in het huis wel zijn stukje Lucas-geschiedenis. En ondertussen gleed de tijd onopvallend voorbij, met Feist op de achtergrond. Als was ik in een roes, maar toch zeer alert. Alsof mijn normale ik tussen iedere wee terugkeerde, om een onnozele opmerking te maken of even mijn tanden te poetsen... “Als dit bevallen is, dan denk ik dat het wel zal gaan!” Wist ik veel wat er nog moest komen...

In de namiddag hup naar de slaapkamer voor het grotere werk. Eerst nog eventjes in bad om te testen of de pijn daar beter te verdragen viel, maar dat ging niet meer, de weeën waren te zwaar om gewoon stil te liggen. Ik moest bewegen, schudden met die heupen!

Met mijn knieën op de grond, de rest van mijn lijf leunend op de rand van het bed. Hangend en knijpend in de handen van mijn ventje en Sofie, vroedvrouw nummer twee, die ergens tussen bad en slaapkamer was toegekomen. Of ik al mocht persen? Er zat nog een klein boordje, maar ik mocht. “Zou je de baarkruk eens niet proberen, Eva?” “Ssst, laat me gerust.” Ik wilde slapen. Op stop duwen en gewoon slapen. Nog een aantal persweeën en dan toch op de baarkruk. Net een toilet met vooraan een stuk eruit, zodat de vroedvrouw goed kan zien hoe het verloopt. In mijn geval was dat niet geweldig. Niets verliep er. “Beneden, beneden, beneden”, ik probeerde aan niets anders te denken dan aan de zwaartekracht. Maar alles deed zo’n pijn. En ik moest plassen om plaats te maken, maar ik kon niet. Dan maar een sonde om de druk te verlichten! Een sonde meer of minder, tegen dan voelde ik het allemaal niet meer... “Roep maar Eva, maak je maar kwaad!” Een verlossing, horen dat je kwaad mag zijn op een wonderlijk pijnlijke gebeurtenis. Het hielp!

Maar niet genoeg. De baby was ok, maar het persen duurde al te lang. “Nog drie keer persen Eva en als er dan geen beweging komt gaan we naar het ziekenhuis”. Ziekenhuis?! Niks van, niet nu! Terwijl ik van de baarkruk naar het bed verhuisde – al liggend, de positie “van in de film”: op de rug, knieën omhoog en kin op de borst – hoorde ik de sirenes. “We’ll get this fucker out!!” Het verbaasde me dat ik nog steeds Engels kon praten – roepen – tegen mijn man. Kreunen, roepen en tieren, maar vooral persen. Nu de ambulance in, ik dacht het niet! Twee ambulances én een MUG zaten in de living op me te wachten, maar Elke had hen gevraagd nog vijf minuutjes te wachten. Als de baby er dan niet was, kregen ze me mee. “I’ll show them how to deliver a baby!” En dan twee knippen, op het hoogtepunt van de wee. “Oh, dat was een smerige zet, Elke!” Niet veel later nam ze mijn hand om op het hoofdje van de baby te leggen. Ik wilde eerst niet want ik had echt enkel nog energie om dat beetje te persen, al anderhalf uur lang. Warm, vochtig en glibberig. Nog een krachtige wee (of twee), babygeschreeuw en dan dat warme vochtige wezentje op mijn blote buik. Wat een overweldigend vreemd gevoel. Plots geen pijn meer, enkel uitputting en euforie.

“Une fille ou un garçon?” vroeg de medische afdeling vanuit de living. We hadden er zelf geen idee van. Sofie hield de beentjes omhoog en zag dat het een jongen was. Een jongen. Lucas. Of ze hem niet moesten meenemen naar het ziekenhuis voor onderzoek, want thuis gaat dat toch niet?...

Ontzettend doodmoe, maar toch geen oog dicht gedaan die nacht. Een lijf vol adrenaline en een klein wondertje tussen ons twee in, thuis, in onze eigen slaapkamer.

Twee dagen lang dacht ik dat ik nooit nog een baby op de wereld wilde zetten. Niet veel langer dan twee dagen heb ik dat gedacht. Mooi trucje van de natuur.